|
Halverwege de 19e eeuw was het verkeer over de voormalige trekweg dermate toegenomen dat de kerk een stuk moest opschuiven om de vernauwing in de weg aan te pakken. In 1854 werd het oude, uit de 13e eeuw daterende koor (of Oosteinde) afgebroken. Een nieuw werd, geheel uit baksteen, opgebouwd: inwendig rond, uitwendig driehoekig gesloten. De ramen zijn dan iets spitser dan de oude ramen en hebben geen houten, maar gietijzeren stijlen. De kansel werd, agv de terugloop van lidmaten door de Doleantie, verplaatst van de zuid- naar de oostmuur. Om dezelfde reden werden de oude banken met knopversiering van onmiddellijk vóór het orgel tot tegen het deurportaal verwijderd. De balkenzoldering werd vervangen door ijzeren balken, die wegens hun grote doorbuiging met hangers aan de dakstoel werden bevestigd en een stucgewelf (in de jaren ’30 van de vorige eeuw vervangen door boardkartongewelf) ondersteunden. Ook een eiken Renaissance deurtje van 1643 dat toegang gaf tot de kerk, werd aan het gezicht onttrokken. Het is nu aanwezig in de ruimte onder het orgel.
Lappendeken verstopt De kerk, die sinds 1975 eigendom is van de Stichting Oude Groninger Kerken, was inmiddels een palet geworden van steensoorten en vormen door elkaar. Dit kwam doordat het zachte – en dus kwetsbare – tufsteen gaandeweg met het direct verkrijgbare baksteen werd gerepareerd, terwijl ook de oorspronkelijke ramen ermee werden dichtgezet. De muren werden nu bepleisterd met grijze cementplaten, doorbroken door grote spitsboogramen. Weg eeuwenoude kerkhistorie. Ze zijn bij de algehele restauratie van 1998 weer verwijderd. Daarbij zijn de wijzerplaten weer op de oorspronkelijke plek terugbevestigd. Die hingen tussen 1930 en 1971 op de halve hoogte van de zuid- en westgevel omdat de hoge boomkruinen de oorspronkelijke plaatsen afdekten. Doordat de houten vloer werd verwijderd kwamen vier naast elkaar liggende rijen van (27) grafzerken tevoorschijn. Ook zijn bij deze laatste restauratie hoog in de noordwand sporen van kleine romaanse vensters aangetroffen. Bij de restauratie van de kerk in 1998/1999 is geprobeerd de cementplaten te verwijderen, maar dat lukte niet goed. Ze zijn vervolgens weer aangebracht.
Het orgel De meest westelijke spitsboogramen werden tijdens de verbouwing na 1514 zo geplaatst dat het tegen de torenmuur geplaatste orgel een goede lichtinval had. Het vroegste orgel waar we wat van weten werd geplaatste in 1669. Maar dat verkeerde na 100 jaar ‘in een slegten staat’ (een andere overlevering beweert dat het door de Bedumers was gestolen), en daarom werd 1816-1817 een nieuw orgel gebouwd door N.A. Lohman. De houtsnijder Mattaeus Waller overleed op 21 januari 1817, Lohman maakte het honorarium over aan de weduwe ‘voor het leveren van het beeldhouwwerk aan ’t orgel van Zuidwolde van wegens de pijpstukken en rozetten de zietvleugels en ’t stuk in de midden gebeeldhouwd’. Het instrument, dat over een klavier met acht stemmen beschikte, werd in 1836 door de gebroeders G.W. en H.B. Lohman uitgebreid met een bovenwerk van zes stemmen. Het nieuwe stucgewelf maakte Jan Doornbos de verhoging mogelijk in 1895. In 1980 repareerde de fa. Mense Ruiter uit het dorp het instrument, waarbij de vierkante houten Bourbonpijpen werden vervangen en in de orgelkas opgeslagen. In 2009 werd besloten om het orgel ingrijpend te restaureren. Vanaf mei 2010 kan het orgel weer bespeeld worden.
De oude pastorie Naast de Zuidwolder kerk werd in 1866 de pastorie gebouwd voor de voor de toenmalige predikant ds. Sijpkes. Na hem bewoonden de predikanten Hulsebos, Nieweg en Beversluis het pand. In 1924 werd het een café voor de trekschuiten op weg naar de stad. Tegenwoordig eetcafé Moeke Vaatstra. Als je buiten staat, zie je boven de deur staan: ‘Hofman, voorheen Hekman’. K. Hekma(n) had er rond 1930 een kruidenierswinkel, tevens café met doorrit en stalling. Aan de zij- en achtermuur zitten nog altijd de ringen, waar de jaagpaarden aan vastgebonden werden, die de trekschuit voorttrokken. De brede deuren waar de koets vroeger naar binnenging zijn nu dichtgemetseld. Hij werd in 1951 opgevolgd door J. Hofman en van af 1966 zat er café J. Harms. Vroeger kreeg een kroeg de naam van de uitbater, en de laatste was Gerrit Vaatstra. Dat is zo gelaten omdat je tegenwoordig van alles moet veranderen zoals telefoon en internet, dan ben je een jaar verder. Wat ooit boven de uitspanning logeerkamers zijn geweest wordt momenteel door bedrijfsleider Ron Kelder bewoond. Helemaal bovenin is op een houten spant in het handschrift van de aannemer met potlood geschreven dat het hoogste punt ‘den 29 october 1887’ is bereikt. In de kelder zijn de draagbalken bewerkt zijn. Er moet ook een deur gezeten hebben want hier kwam vroeger de koster zijn borreltje halen. En in de laatste kamer rechts staat een kast tegen de muur met namen van allerlei specerijen. Daar was dus vroeger de opslag voor de winkel (waar nu de cafetaria zit).
Willem Pauwelussen
|